Trage Post van Achilles Cools

achillescools

Lieve Ada en Maimouna, dit is een trage brief die jullie over achttien jaar zal bereiken. Een brief die over de jaren heen het geschrevene doet stilstaan en het verhaal van het verleden laat openplooien in een brief. De toekomst zal de brief in bewaring nemen. We mogen dan mobiel en digitaal geworden zijn, de brief is op zijn minst net een dergelijk waardevolle uitvinding als het wiel in de geschiedenis van de mensheid. En ik betreur dat het een door de techniek, in casu telefoon en mail, een met ondergang bedreigde uitvinding is. Wat verloren gaat, kan steevast op mijn warme sympathie rekenen.

Jullie zijn op dit schrijvende moment nog onbekommerde kinderen die onder het wakende oog van jullie mama door de dagen heen spelen. Met zand en water maken jullie nog de soep en de pannenkoeken die wij in dezelfde fantasie aannemen en doen alsof het heerlijk is. In puzzels leggen jullie de delen bij elkaar tot een geheel dat volmaakt lijkt, en een nieuwe uitdaging aankan. Een aanzet die in het latere leven van pas kan komen. Jullie tekeningen zijn als een groeiproces van het dagelijkse verhaal: er is tijd en ruimte mee gemoeid. Het verplicht je om naar de dingen te kijken, zonder illusies, zonder verwachtingen, zonder jezelf iets wijs te maken. Tekenen zit jullie in het bloed. Dagelijks wordt het witte blad omgetoverd tot een verhaal. Wie begint te tekenen denkt aan de schoonheid van het witte blad, net zoals wanneer je begint te spreken je denkt aan de schoonheid van de stilte.

Ada, ik vergeet nooit hoe wij voor het eerst door de velden fietsten, jij op het fietszadeltje tussen mijn armen en je kleine handjes op het grote stuur. Onderweg plukte ik een vogelfiguurtje uit het trosje bloemetjes van de vogelwikke. Dat vogeltje moest van jou in de fietsbel, want dan klonk die bel als een vogeltje. Toen je je eerste fietsje kreeg, ging je in de bel kijken of er al een vogeltje van de vogelwikke in zat. Maimouna doet jou na in alles en nu zit zij op het fietszadeltje, zingt liedjes, staat met open armen recht op de voetsteuntjes als ze de wolken ziet, en kraait het uit als we een eekhoorn laten schrikken. Zolang de aarde zal draaien blijft het kind in de wind.

Maimouna, jij kleine reus, jij bent een buitenkind en wil altijd buiten zijn. Overal wil je bij zijn en altijd wil je mee, met iedereen. Alles interesseert je ook, vooral als het iets te maken heeft met je zus. Je bent nu al drie jaar, maar telt voor vijf. Zo levendig hol je door de tuin om kippen op te jagen en de kat in de boom te krijgen. Toen je een ziek muisje ontdekte ging je er mee spelen en werd het je kameraadje. Bij de pauw van de buren liep je zo dol langs het gaas dat de pauwhaan je voor een hen aanzag en hij zette zijn staart protserig voor je open. Terwijl keek jij verbaast terug naar al die ogen die op jou waren gericht.

Ada, ik zie je nog naar me toelopen over de zandweg, achtervolgt door een klein jongetje met pientere oogjes. ‘Hoe heet jouw vriendje,’ vroeg ik je. ‘Dat is Ibrim’. ‘En hoe oud is Ibrim,’ wilde ik weten. ‘Ibrim is drie jaar, hij is nog klein’. ‘Ik ben niet klein!’ riep het ventje. ‘Neen, je bent niet klein, maar wel kleiner dan ik, want ik ben vier jaar en jij bent nog maar drie,’ zei je, terwijl je vlak tegen hem toonde dat je een kopje groter was. Dan huppelde je de grasberm in, keek om je heen terwijl je een hommel nawees. ‘Kijk,’ zei je tegen het ventje, ‘dit zijn paardenbloemen, die mag je opeten.’ ’Gras mag je niet eten en bloemen ook niet,’ repliceerde het ventje met de huivering op zijn gezicht. ‘Jawel, jawel, kijk,’ zei je opgetogen en rukte een paardenbloem af, stak die in je mond, en met smakelijke blik zei je: ‘lekker hoor, lekker’. Je at de bloem helemaal op. Het jongetje bezag jou heel aandachtig, keek dan naar de glimmende bloemen en besefte dat rondom hem een hele  snoepwinkel in uitdagende kleuren uitgestald lag. Hij propte gulzig een gele bloemschijf in de mond. Hij kauwde, maar zijn gezicht betrok. Het smaakte niet naar drop of suikerspin. ‘Lust je het?,’ vroeg je nog uitdagend, maar het jongetje spuwde alles weer uit.

Ada, ik weet nog hoe je als merelmeisje voor het eerst de dood hebt gezien. Samen met een vriendinnetje werden voorbereidingen voor de begrafenis getroffen. De dode vogel in een doosje. Op een baksteen werd: ‘Merel’ geschreven, want naamloos begraven gaat niet. Een bloemenkrans, een kruisje, en een kring van steentjes. Er werden treurige liedjes gezongen. Daarna gingen jullie naar binnen om een ijsje te eten.

Of toen je telkens nieuwsgierig vragen stelde… Ik heb nog een gedicht geschreven over je kennismaking met de zonnedauw. Ik zal het hier citeren.

Zonnedauw

Gisteren wilde ik werken in mijn plantentuin.
‘Wat doe jij daar?’ Alsof een vogeltje uit haar mond ontsnapte.
Ik zat bij het vennetje te koekeloeren.
‘Ik ben de plantjes aan het voeren,’ zei ik.
‘Kan dat dan?’ Ze zat al in de eerste klas.
‘Bij deze plantjes wel. Kom maar eens kijken.’
Ze liet haar fietsje vallen in het gras en hurkte naast mij neer.
‘Wat geef je ze dan?’ Haar wereld was nog vers, alles paste erin.
‘Zie je die daar, zei ik wijzend. Dat plantje heet zonnedauw.
Het vangt vliegjes met die blinkende druppeltjes.
‘Waarom,’ vroeg ze. ‘Om te eten,’ zei ik.
‘Heeft het dan ook tanden.’ Ze lonkte.
‘Alleen haartjes die kunnen proeven.’
‘Dan heeft het haren op zijn tanden’.
Ze keek mij met grote ogen aan alsof ik zelf een vleeseter was.
Ik legde vlug uit dat ik dode vliegjes had gevonden bij het raam
en wilde zien hoe snel die blaadjes kunnen graaien.
Een roofmens moet roofplanten aaien,’ flapte ze eruit.
‘Moet van de zon,’ en fietste verder.
Ik ging daarna maar struiken snoeien.

Niet alleen jij Ada, vooral Maimouna wil alles en iedereen aaien. In de dierentuin wilde Maimouna de olifant aaien, de giraf, de leeuw, de zebra, ze wilde hen allemaal vastpakken. Het waren alleen de geitjes die zich lieten aaien, want die waren dat gewoon. En die speurende blik van jullie als er ergens iets kruipt, hoe klein ook. Kleine, ogenschijnlijk nietige beestjes ontdekken jullie vlugger dan ik. Die kleine beestjes zijn niet aaibaar, niet zichtbaar en niet in het oog springend. Er valt naar te zoeken, ondanks dat een kever een kever blijft, ook al heet hij vliegend hert.

De tamme kauw die jullie hart wegdraagt zit nog altijd op het dak. Eens zal hij kiezen voor zijn eigen soort en met de bende meevliegen. Dat moet ook, hij is een vogel en geen mens. Hij heeft zich ingeprent dat hij bij jullie hoort. Voorlopig zal hij dat nog een tijdje volhouden, maar de imprint zal omkeren en hij zal ontdekken dat hij een vogel is. Ik denk dat een vogel een klein geestje heeft, in verhouding tot zijn grootte. Een vogel zal een visueel plaatje hebben van de wereld om hem heen, en een auditief plaatje. Voor de vogel voldoende om bijvoorbeeld informatie over voedselbronnen te combineren. Maar hij kan zich wonderlijk genoeg oriënteren en bewust worden van zijn omgeving zodat hij zijn geboorteplaats terugvindt op duizenden kilometers. Ook al heeft hij maar enkele dagen rondgevlogen bij het nest, hij weet precies waar het stond. Het is duidelijk dat je dat alleen kunt als je een zeker soort van bewustzijn hebt, als je op minimale wijze in staat bent een kaart te produceren die de wereld weergeeft.

Ook jullie zullen zich loswerken van het thuisnest om de wereld te verkennen. Jullie zullen je ook aansluiten bij de groep als de tijd er rijp voor is. Net als jullie kauw zullen soortgenoten je meeslepen in het avontuur dat telkens een nieuw verhaal inhoudt.

Jullie mama had ook een tamme kauw als kind. Ze was er erg aan gehecht. Het was een echte wederzijdse vriendschap die de verschillen van de soorten overschreed. Door die hechte vriendschap kon ze zich inleven in het andere wezen en kreeg ze een onvoorwaardelijke empathie voor het dier. Een soortoverschrijdende empathie: de enige menselijke eigenschap die typisch menselijk is. De enige eigenschap ook waarmee we ons kunnen onderscheiden van de dieren. Dieren kennen taal, plezier, spel, creativiteit, muziek, liefde en haat, bedrog, altruïsme, apathie en frustratie, bewustzijn, enz. Allemaal eigenschappen die men lang als typisch menselijk heeft beschouwd. Empathie kennen dieren ook. Alleen de soortoverschrijdende empathie komt alleen voor bij de mens. We moeten ons in alle omstandigheden kunnen inleven in onze medemens. Dat zijn we verplicht! Maar je kunt daar ook verder in gaan en je inleven in de ander, in de andere soort. Jullie mama kan nog altijd, wanneer ze een vogel door de lucht ziet vliegen, dat stipje beschouwen als een individu met gevoelens. Een persoonlijkheid met vaak sterke emoties. Jullie mama realiseert zich dat een vogel intieme banden heeft met een soortgenoot, dat hij angst en onbehagen, liefde en vriendschap kent. Dat hij evenwaardig is aan ons mensen wat betreft het recht op leven. Met dat respect naar de dieren kijken, geeft je een gevoel van gelijkheid. De soortoverschijdende empathie is onze allermooiste eigenschap, mooier dan liefde en vriendschap. Jullie mama geeft dit aan jullie door. Jullie hebben geluk.

Intussen, als deze brief toekomt, zijn jullie volwassen geworden. We kunnen naar het heden kijken om het verleden vast te leggen. De toekomst is een verhaal zonder slot, voorlopig eindigt het ergens midden in een zin. Weer zoveel jaren later is dat verhaal van richting veranderd, het is een terugblik geworden, opgenomen en overgegaan in weer een ander verhaal, dat van jullie en dat van mij, tot ik het niet meer zelf zal beëindigen. Het allerlaatste tafereel en de slotzin ervan zijn voor jullie weggelegd.

Jullie Bapoe

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *